archieven.jpg

Guillaume Louis Frédéric Landré (1874-1948)

landre-willem-2Willem Landré is als zoon van een commissionair geboren te Amsterdam en groeide op in Haarlem. Zijn muzikale aanleg manifesteerde zich in composities uit zijn schooljaren; een carrière als uitvoerend musicus was hem door een misvorming van zijn ledematen onmogelijk. Na zijn schooltijd studeerde hij een aantal jaren compositie bij Bernard Zweers.

In 1897 trad hij als componist in de openbaarheid met een concertuitvoering in Haarlem van zijn opera De Roos van Dekama. In het volgende jaar werd hij aangesteld als muziekverslaggever van de stadsredactie van de Oprechte Haarlemsche Courant. In 1900 verschenen zijn Drei Lieder in druk bij  A.A. Noske. In de jaren 1901-1906 werkte Landré als muziekredacteur voor de in Den Haag gevestigde Nieuwe Courant; in 1906 verhuisde hij naar Rotterdam, waar hij dezelfde functie op zich nam bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC). In 1912 werd Landré mederedacteur van het maandblad Het Muziekcollege (later samengevoegd met Caecilia, vervolgens met De Muziek); deze functie heeft hij tot 1944 uitgeoefend. Daarnaast was hij sinds 1917 leraar theorie, compositie en muziekgeschiedenis aan het Rotterdamse Conservatorium voor Muziek. In 1937 werd hij gepensioneerd als docent en als redacteur van de NRC. In het volgende jaar vestigde hij zich te Doetinchem.

Stilistisch sloot Landré aan bij de school van César Franck en bij Alphons Diepenbrock. Dramatische werken zijn o.m. de toneelmuziek bij Lioba van Frederik van Eeden (1906) en de opera Beatrijs (opgevoerd in 1925 in Den Haag). Verder schreef hij o.m. Requiem in memoriam uxoris voor vier zangstemmen, gemengd koor en orkest (1931); een Romantisch pianoconcert (1935); De kinderkruistocht (1937), op tekst van Martinus Nijhoff, voor declamatie en klein orkest; Fragmenten uit het boek Baruch voor sopraan, gemengd koor en orkest (1947) en koorwerken.

De componist Guillaume Landré is een zoon van Willem Landré uit zijn eerste huwelijk.

Archief Willem Landré »