archieven.jpg

Liszt Manuscripts: A Bicentenary Presentation

Franz Liszt:

Brief aan Blandine en Cosima Liszt (14 September 1855)


Inleiding

Brief aan Pierre Érard
(1824)

Brief aan Blandine en

Cosima (1855)

Vervolg (2-4)

Vervolg (5-6)

Tre sonetti di Petrarca
(1864)

Sonetto 47

Sonetto 123
Redactie & Bronnen

 liszt1855pp1-4

pages 4-1

 liszt1855pp2-3

pages 2-3

 liszt1855pp8-5

pages 8-5

 liszt1855pp6-7

pages 6-7

 liszt1855p9

page 9

 liszt1855pp10-11

pages 10-11

Commentaar en vertaling: Lodewijk Muns

De brief die hier gepresenteerd wordt heeft een buitengewoon dramatische inhoud. Hij laat een groot man zien op een moment van grote zwakte, agressief optredend tegen hen die voor hem het meest kwetsbaar zijn: zijn eigen kinderen. Wat het originele handschrift laat zien (en een gedrukte tekst niet kan weergeven) is de directe grafische neerslag van Liszts emotie. Ook de vorm is merkwaardig; de brief bevat de transcriptie van een andere brief (van Liszts vroegere maîtresse Marie d’Agoult), met een puntsgewijs toegevoegd commentaar. De brief heeft daardoor iets van een juridisch document; Liszt zegt gedwongen te zijn “te verschijnen voor het tribunaal van mijn eigen kinderen”. Hij treedt op als advocaat in eigen zaak, en doet dat met agressief sarcasme en sterk aangezette retoriek.

De inhoud van deze brief is bekend sinds 1933 (in een gecensureerde versie), en hij is sindsdien verscheidene malen opnieuw gepubliceerd.[1] Wat vorige redacteurs echter niet hebben opgemerkt, is dat er van deze brief twee authentieke versies bestaan. Het netschrift bevindt zich in de Library of Congress in Washington; het handschrift in de Liszt-Collectie van het NMI is een volledig klad.[2] Het feit dat deze twee versies bestaan is van belang: het toont dat Liszt niet slechts handelde op grond van een eerste impuls. De verschillen tussen klad en netschrift zijn gering. Meest opmerkelijk is dat het klad is geadresseerd aan beide dochters (“Chers enfans”), terwijl het netschrift alleen aan de oudste is gericht (“Cher enfant”, d.i. Blandine). Vergelijking toont verder dat Liszt tijdens het schrijven niet op andere gedachten kwam, of zijn woede liet bedaren; de meeste veranderingen versterken juist de retoriek. Het meest verrassend is misschien dat Liszt de moeite heeft genomen om de brief van Marie d’Agoult twee keer over te schrijven. De reden hiervoor zal later duidelijk worden.

Vanwege de ingewikkelde structuur van het handschrift wordt de tekst (in het oorspronkelijke Frans en Engelse vertaling) hier gepresenteerd in drie verschillende layouts: (1) in de vorm van het handschrift; (2) met Engelse vertaling, in de volgorde waarin de brief gelezen dient te worden; (3) alleen de brief van Marie d’Agoult.


 


1. Gravin contra Prinses

Het lijkt te passen bij het karakter van Liszt dat hij nooit getrouwd is geweest. De twee vrouwen met wie hij in langdurige relaties heeft verkeerd waren getrouwd toen hij ze ontmoette; geen van beiden is ooit gescheiden; en beiden hadden een dochter van hun echtgenoot (Marie d’Agoult had twee dochters; de eerstgeborene overleed in 1834 op zesjarige leeftijd). Beiden waren ook bezeten van de pen, en hielpen Liszt als ‘ghostwriters’. Er is een traditie geweest onder de Liszt-biografen om partij te kiezen, om de ene op te hemelen en de andere te belasteren. Het heeft natuurlijk geen enkele zin om een ‘keuze’ te maken voor welke dan ook van de betrokken partijen, de grote man inkluis.

Van deze maîtresses heeft de eerste ongetwijfeld de meeste publieke en intieme bewondering geoogst. Marie Cathérine Sophie de Flavigny, comtesse d'Agoult (1805-1876), zes jaar ouder dan Liszt, genoot vóór hun liaison de voordelen van rijkdom en een hoge sociale status. Na het einde van hun relatie veroverde ze een meer onafhankelijke positie in de maatschappij, en ontving in haar ‘salon’ vele van de meest prominente kunstenaars en politici. Onder het pseudoniem Daniel Stern publiceerde ze essays, verhalen, twee historische studies, een beruchte roman (Nélida), en een paar minder succesvolle drama’s.

Geen van haar kwaliteiten is echter zo nadrukkelijk onder de aandacht gebracht als het feit dat ze blond was. Voor een deel kan dit natuurlijk een gevolg zijn van sexistisch vooroordeel; het hing echter ook samen met een soort romantische buitennissigheid, die werd versterkt door haar lange en slanke gestalte, en een scherp getekend profiel (dat met het klimmen der jaren een meer ‘mannelijk’ aanzien kreeg).[3] Ze was geboren in Frankfurt, aan moederszijde kleindochter van een schatrijke bankier; haar vader was een Franse aristocratische émigré en koningsgezind officier. Haar Duits voorkomen correspondeerde met haar eigen gevoel van spirituele identiteit, dat sterk bepaald werd door het Duits Idealisme (dat Spinoza’s pantheïsme in zich had opgenomen):

mariedagoult-salomon

Marie d'Agoult. Foto:
Adam-Salomon (1861)


Ik was vertrouwd met de taal van Kant, Schelling, Fichte en Hegel. De diepten van de metafysica boezemden mij geenszins angst in, integendeel, ze trokken me aan. Spinoza verbreidde, toen ik eenmaal de sprong in zijn werk had gewaagd, een wonderbaarlijk licht over mijn geest; en van de lippen van deze atheist, deze verdoemeling van Rome, vergaarde ik al wat ik ooit kon bevatten en vereren van Gods wezen en verhevenheid. De leegte die het katholiek geloof had achtergelaten toen het zich terugtrok uit mijn ziel was daardoor ogenblikkelijk gevuld.[4]
Haar tegenspeelster, de tweede maîtresse, was Carolyne von Sayn Wittgenstein (1819-1887). Het is makkelijk een karikatuur van haar te tekenen: de super-rijke Poolse prinses (eigenares van meer dan 30.000 lijfeigenen) die zich ontwikkelde tot sigaren rokende kluizenares; die in haar ongeluchte appartement in Rome haar religieuze obsessie botvierde in een omvangrijk tractaat over de “Gebreken van de Kerk” – dat tenminste de verdienste had op de pauselijke zwarte lijst te belanden.

Beiden haatten elkaar op afstand. Hoewel de Prinses, in Liszts hart gesloten, duidelijk in het voordeel was, bezorgden de drie kinderen van Liszt en Marie haar hoofdbrekens. Dan was er ook nog alle ruchtbaarheid die de affaire had gekregen; en de fameuze schoonheid van de Gravin, alsmede een fysieke zowel als spirituele affiniteit tussen de minnaars, die in de jaren van hun romance voor iedereen zichtbaar was geweest. Er is ongetwijfeld een vleugje narcsime in de beschrijving die de Gravin geeft van hun verschijning samen, tijdens hun romantische escapade in de Alpen:

carolynesw

Carolyne von Sayn-Wittgenstein

Niemand kende onze namen in deze eenzame hutten, in deze gehuchten waar we het liefst verbleven. Bijna overal waar we verschenen zag men ons, door onze overeenkomst in gestalte, haarkleur en ogen, van huid en stemgeluid, aan voor broer en zus; we vonden het prachtig. Is zo’n vergissing geen overtuigender teken dan al het andere van de geheime verwantschappen die ons zo sterk tot elkaar hadden aangetrokken? Was dit niet het zekere bewijs dat we voor elkaar geboren waren, en dat het, al hadden we het gewild, onmogelijk zou zijn geweest elkaar niet lief te hebben?[5]

Aangezien haar liefde voor Liszt nooit ten einde kwam, waren de gevoelens van de Gravin voor de Prinses bitter. Op een punt waar er een onderbreking valt in haar fragmentarische memoires schrijft ze:

Het is niet toegestaan een moeder te kiezen voor je kinderen. Die moeder die voor hen gekozen werd was een vrouw van het Joodse ras, die haar leven slijt in de gangen van het Vaticaan.[6]

De Prinses van haar kant oefende wraak op de Gravin door te zorgen voor een grondig vervalste en kwaadaardige voorstelling van de affaire van Liszt en Marie d’Agoult in de eerste omvangrijke Liszt-biografie, die onder haar toezicht werd geschreven door Lina Ramann.[7] Doordat ze gedurende de Weimar-jaren, tussen 1849 en 1861, aan Liszts zijde verkeerde was ze tevens in de gelegenheid haar invloed te laten gelden over de kinderen van Liszt en de Gravin.

Vervolg »


[1] Ollivier, Correspondance de Liszt, p. 136-140. Ongecensureerd (naar de schets) maar met grammaticale correcties in Bory, Liszt et ses enfants, p. 102-110; naar Bory in Liszt, Lettres à Cosima et à Daniela, p. 196; ook gepubliceerd in Franz Liszt: Correspondance, ed. P.-A. Huré en C. Knepper. s.l., J.C. Lattès 1987, p. 322-327; naar het schoonschrift in de Library of Congress in Short, Liszt letters, p. 114-117 en 305-307. Fragmenten in Walker, vol. 2 p. 452-454.
[2] Voor de herkomst: zie de inventaris.
[3] Het beroemde portret en profil door Henri Lehmann (1843) toont haar merkwaardig genoeg met donker haar.
[4] D’Agoult, Mémoires, p. 391; mijn vert. (LM).
[5] ib., p. 360; mijn vert. (LM). Over Marie d’Agoult in haar jeugd schrijft Dupêchez in zijn biografie: “Si elle a une nature contemplative et solitaire, elle a aussi une imagination sterile. Et il est probable que l'exploration de sa propre image l'absorbe très tot.” (p. 22)
[6] D’Agoult, Mémoires, p. 411; mijn vert. (LM). De prinses was overigens niet Joods, en notoir antisemitisch. Latere biografen deelden de antisemitische fantasie van de gravin, vgl. Klára Hamburgers inleiding in Liszt, Lettres à Cosima et à Daniela, p. 12.
[7] De insinuerende opening zegt genoeg: “Sie war schön diese Frau, sehr schön, ausgestattet mit den seltensten geistigen und körperlichen Reizen. Sie hatte ein Recht dazu, sich in ihren »Souvenirs« eine Lorelei-Erscheinung zu nennen; sie hatte gewiß Recht – in jedem Sinn.” (Ramann, p. 318).