scheurleermuseum.jpg

Muziekhistorisch Museum Scheurleer (2)

plattegronddfs5

Klik op een van de afbeeldingen of zaalnummers voor een rondgang.

Een rondgang door het museum
Vanuit de woning (onderaan de plattegrond) of via een monumentaal poortje in de geometrische tuin komen we de lange gang binnen. (Scheurleer citeert hierbij Wagners Ring des Nibelungen: "Nur eines will ich noch: das Ende!") Via deze gang, die ook als tentoonstellingsruimte dient, komen we Zaal I binnen. Deze is gewijd aan Europese blaasinstrumenten. Houten blaasinstrumenten zijn ondergebracht in twee vrijstaande vitrines. De Griekse fluitspeler ertussenin volgens een latere foto (afb. I-1) geplaatst op een harmonium (Alexandre Père et Fils, Parijs ca. 1885). Aan de wanden hangen koperen blaasinstrumenten.

Zaal II toont instrumenten uit Japan. Bij binnenkomst zien we aan de wand vóór ons slaginstrumenten; naast de ingang staat een rek met tamtams, met vooraan de opvallende tsuridaiko, een trommel die gebruikt wordt in het kabuki-theater, gedecoreerd met het 'tomoe'-motief (afb. II-3). De scheidingswand met zaal I is behangen met tokkelinstrumenten, waaronder aan aantal peervormige biwa’s (luiten).

De Zalen III en IV bevatten een deel van de bibliotheek.

Zaal V is gewijd aan de dans, wat vooral tot uiting komt in de grafiek aan de wanden. Deze zaal schijnt meer bedoeld te zijn als lounge dan als tentoonstellingsruimte.

De zalen VI-IX komen overeen met de zalen IV-I van vóór 1917.

Wanneer we Zaal VI binnenkomen vinden we links, aan weerszijden van de schouw, een met landschappen beschilderd clavecimbel van Giovanni Celestini (Venetië 1605), en een soberder clavecimbel van Burkat Shudi (Londen 1744). Naast de Celestini een glasharmonica. Blikvanger is het clavicytherium (verticaal clavecimbel) van Albert Delin (ca. 1760) met zijn wit-met-gouden versieringen in rococo-stijl, door Scheurleer verworven in 1913. Tegenover de schouw wordt een borstbeeld van Bach geflankeerd door vitrines met manuscripten. Aan de wand hangen onder meer luiten en draailieren.

In Zaal VII zien we aan de tegenovergelegen wand twee vitrines met strijkinstrumenten. De korte wand rechts is behangen met serpenten en cornetten. Verder vinden we enkele toetsinstrumenten in merkwaardige behuizingen: een giraffepiano van Joannes van Raaij (Amsterdam, ca 1825); daarnaast een naaidoos-piano (ca 1830), onder het dodenmasker van Liszt. Links van de schouw staat een bureau-orgel van H.H. Hess (Gouda, 1776), en aan weerszijden twee exemplaren van de tromba marina (ook bekend als ‘Nonnengeige’), een éénsnarig strijkinstrument. Aan de wand citers en andere volksmuziekinstrumenten.

In Zaal VIII domineert een Bechstein concertvleugel. De portières worden geflankeerd door vier harpen. Ook de wanden zijn volgehangen met tokkelinstrumenten: rechts gitaren en verwante instrumenten, links luiten. Aan de kant van de luiten vinden we twee tafelpiano’s: één anoniem (ca. 1795), daartegenover een instrument van J.H.H. Traut (Den Haag ca. 1855). Bij de gitaren staat in de hoek een klein, transponerend clavecimbel van Andreas Ruckers sr. (Antwerpen 1627), daarnaast een aan J.H. Silbermann toegeschreven spinet (ca. 1770).

Zaal IX is sinds 1917 gewijd aan instrumenten uit Indonesië; de afbeelding geeft echter de toestand van voor 1917 weer. Instrumenten uit verschillende oostaziatische landen zijn hier bijeengebracht. Men herkent de tsuridaiko en tamtams uit Zaal I, vlak achter de Javaanse bonang, onderdeel van de gamelan.

De visie van een verzamelaar »
« Muziekhistorisch Museum Scheurleer