scheurleermuseum.jpg

Muziekhistorisch Museum Scheurleer (3)




De visie van een verzamelaar
Met zijn museum realiseerde Scheurleer veel meer dan een particulier rariteitenkabinet. Doel van zijn verzamelwoede was aspecten van het verleden levend te houden of te doen herleven, in samenspraak en samenwerking met collega-muziekhistorici en muziekorganisaties. Scheurleer was zich bewust van de kwetsbaarheid en vergankelijkheid van historische instrumenten, en van de grote afstand die de eigentijdse muziekpraktijk scheidde van die van vroeger eeuwen. De tegenstrijdige belangen – behoud en gebruik – woog hij tegen elkaar af; instrumenten zowel als bronnenmateriaal werden soms in bruikleen gegeven aan musici, onderzoekers en tentoonstellingen (Londen 1885, Pulchri Studio in Den Haag 1893).

In een begeleidende tekst bij de expositie in Pulchri schreef Scheurleer:

En toch is het voor de muziekwetenschap van het allergrootste belang, dat die oude speeltuigen zoo veel doenlijk bewaard blijven. De toondichter heeft zijne werken steeds neergeschreven met de eigenaardigheden van het instrument, waarvoor hij componeerde, voor oogen. […] Wie zich een juist denkbeeld van de oude instrumentale muziek wil vormen, moet derhalve trachten de verschillende werken ook op de oorspronkelijke instrumenten te doen uitvoeren. Het behoeft geen betoog, dat dit buitengewoon moeilijk is. Zelfs al heeft men de oude instrumenten ter beschikking, dan blijft het de vraag ofzij in den toestand zijn terug te brengen als voor het bespelen noodig is […].[1]

En naar aanleiding van een bezoek aan het Kunstnijverheidsmuseum in Kopenhagen:

scheurleer2

Ieder, die ooit gepoogd heeft een in onbruik geraakt instrument te bespelen, weet welke moeilijkheden zich dadelijk voordoen, en hoe gewichtig het is eene handleiding te kunnen raadplegen. Dit is de wijze van verzamelen die ik hier boven "productief en levend maken" noemde in tegenstelling met het uitstallen als curiositeit. [...] Wij zijn aan het vele belangrijke en kostbare, dat wij bezitten feitelijk verplicht er voor te zorgen, dat het niet begraven ligt te muffen in kasten en vitrines, zoo goed als onbereikbaar voor hen, die er, ten bate van wetenschap en kunst, hun voordeel mede zouden kunnen doen. [2]

Het einde van twee musea
Het mag opmerkelijk zijn dat een Haagse bankier in zijn achtertuin een museum neerzet met internationale allure; nog opmerkelijker is dat zijn zoon en opvolger in de firma de museale ambities van zijn vader nog heeft overtroffen. Constant Willem Lunsingh Scheurleer was sinds 1912 medefirmant in Scheurleer & Zoonen, en heeft in 1920 de leiding van zijn vader overgenomen. Zijn interesse gold vooral de Griekse en Romeinse oudheid, en voor zijn verzameling kunstvoorwerpen liet hij in 1922 een archeologisch museum bouwen aan de Carnegielaan, direct naast het Muziekhistorisch Museum. Dit was, anders dan de schepping van zijn vader, een publiek toegankelijk museum, gehuisvest in een eigentijds gebouw.

De gevel van het Muziekhistorisch Museum in 1913, met op
de achtergrond het in dat jaar voltooide Vredespaleis.

D.F. Scheurleer overleed in 1927, twee jaar voor de beurskrach. Na zijn dood benoemde Constant Lunsingh Scheurleer de museum-assistent van zijn vader, Dirk Balfoort, tot conservator en gaf hem opdracht de collectie voor publieke openstelling te reorganiseren. In 1928 werd het Muziekhistorisch Museum heropend. Weinig later raakte de bank echter in financiële moeilijkheden, die in 1932 tot faillissement hebben geleid. Aangezien ook het persoonlijk vermogen van de firmanten hierin betrokken was, kwam het voortbestaan van de beide musea in gevaar. Een 'Comité tot Behoud der Musea Scheurleer' trachtte door middel van publiciteit, een tentoonstelling in het Amsterdamse Stedelijk Museum en lezingen het uiteenvallen van de collecties te voorkomen. Resultaat van deze inspanningen was dat de muziekcollectie in 1933 door de Gemeente Den Haag werd aangekocht voor f75.000. Een deel van de bibliotheek ging naar de Koninklijke Bibliotheek.

Sinds 1935 heeft de Scheurleer-verzameling een onderkomen gevonden in het nieuw gebouwde Gemeentemuseum aan de Stadhouderslaan. De archeologische verzameling is voor het grootste deel overgenomen door het Allard Pierson Museum in Amsterdam. C.W. Lunsingh Scheurleer kon zijn loopbaan in de archeologie vervolgen; hij werd hoogleraar aan de Universiteit van Leiden en conservator van het Leidse Rijksmuseum van Oudheden. De laatste functie heeft hij door zijn onverwacht overlijden in 1941 nauwelijks meer kunnen uitoefenen.

Nadat de muziekhistorische collectie in 1935 naar het Gemeentemuseum was overgebracht werden zowel het museumgebouw als de woning afgebroken. De locatie werd van 1936 tot 2006 bezet door bioscoop Metropole; tegenwoordig staat hier een woningcomplex. Het gebouw van het archeologisch museum heeft tot 1975 de Staatsmijnen (DSM) tot hoofdkantoor gediend, en is daarna vervangen door een nieuw kantoorgebouw.

Huisvestingsproblemen in het Gemeentemuseum hebben ertoe geleid dat de bibliotheek en archieven van de Muziekhistorische Afdeling sinds 2000 beheerd worden door de Stichting Nederlands Muziek Instituut, gevestigd in het gebouw van de Koninklijke Bibliotheek. De instrumentencollectie, die als onderdeel van de Muziekhistorische Afdeling sterk is uitgebreid en ook de ontwikkelingen van de 20e eeuw weerspiegelt, is tegenwoordig opgeslagen in depot. Voorstellen om op basis van verschillende deels ontoegankelijke collecties een Nationaal Muziekmuseum te stichten hebben tot op heden niet tot een resultaat geleid.

« Een rondgang door het museum
« Muziekhistorisch Museum Scheurleer


[1] Geciteerd naar Von Gleich, Haags Gemeentemuseum, p. 15
[2] Scheurleer, Een navolgenswaardig voorbeeld, p.87

Tekst: Lodewijk Muns, 2010

Bronnen

  • Archief D.F. Scheurleer, Nederlands Muziek Instituut (Archievenoverzicht)
  • Gleich, Clemens von: A checklist of harpsichords, clavichords, organs, harmoniums (Den Haag: Haags Gemeentemuseum, 1989)
  • Gleich, Clemens von: A checklist of pianos (Den Haag: Haags Gemeentemuseum, 1986)
  • Gleich, Clemens von: Haags Gemeentemuseum: over het ontstaan van de Muziekafdeling: portret van de verzameling-Scheurleer (Den Haag: Haags Gemeentemuseum, 1985)
  • Mensink, Onno: De verdwenen gebouwen van de 'Musea Scheurleer', in: Jaarboek 2002 Geschiedkundige Vereniging Die Haghe, pag. 74-95
  • Wolff, Paul: A checklist of traditional Japanese musical instruments (Den Haag: Haags Gemeentemuseum, 1988)
  • Scheurleer, Daniël François: Een navolgenswaardig voorbeeld, in: Tijdschrift der Vereeniging voor Noord-Nederland's Muziekgeschiedenis, Dl. 7, 2de Stuk (1902), pp. 84-88